Jaarlijks gemiddeld 84 gevallen van aangeboren hartafwijkingen per 10.000 levendgeborenen
In de periode 2019-2023 kwamen in de registratie van Eurocat Noord Nederland per jaar gemiddeld 83,9 gevallen van aangeboren hartafwijkingen per 10.000 levendgeborenen voor. Daarvan worden er 26,8 per 10.000 levendgeborenen als ernstig aangeduid (Dolk et al., 2011 (Dolk, H., Loane, M., Garne, E., EUROCAT Working Group, Congenital heart defects in Europe: prevalence and perinatal mortality, 2000 to 2005. (2011))). Een deel van deze afwijkingen komt voor bij kinderen met een andere aangeboren afwijking. Zo heeft 32% van de kinderen met downsyndroom (Downsyndroom (trisomie 21) is een aangeboren aandoening. Iemand met downsyndroom heeft van een bepaald chromosoom (chromosoom 21) geen twee maar drie exemplaren in elke cel. ) ook een aangeboren hartafwijking (Eurocat Noord Nederland). Omdat aangeboren hartafwijkingen ook tijdens de adolescentie of op volwassen leeftijd kunnen worden ontdekt, is het jaarlijkse aantal nieuwe gevallen van een aangeboren hartafwijking waarschijnlijk hoger.
Ventrikelseptumdefect meest voorkomende aangeboren hartafwijking
Een ventrikelseptumdefect is de meest voorkomende aangeboren hartafwijking. Aangeboren hartafwijkingen maken ongeveer een kwart uit van alle nieuwe gevallen van aangeboren afwijkingen in Nederland.
Tabel: Geboorteprevalentie aangeboren hartafwijkingen 5-jaarsgemiddelde 2019-2023
| Type afwijking | Per 10.000 levend geborenen |
|---|---|
| Totaal aangeboren afwijkingen | 299,2 |
| Totaal aangeboren hartafwijkingen | 83,9 |
| Ernstige aangeboren hartafwijkingen | 26,8 |
| Ventrikelseptumdefect | 37,9 |
| Atriumseptumdefect | 13,7 |
| Pulmonaalklepstenose | 7,5 |
| Bicuspide (tweeslippige) aortaklep | 5,7 |
| Atrioventriculair-septumdefect | 5,5 |
| Hypoplastisch linkerhart | 4,0 |
Bron: Eurocat Noord Nederland
Lichte stijging totaal aangeboren hartafwijkingen
De geboorteprevalentie van aangeboren hartafwijkingen laat tussen 2003 en 2023 een licht stijgende (statistisch significante) trend zien. Een mogelijke verklaring hiervoor is een verbeterde opsporing van aangeboren hartafwijkingen via prenatale echo's. Het aantal ernstige gevallen van aangeboren hartafwijkingen lijkt constant gebleven. De geboorteprevalentie van ventrikelseptumdefect, de meest voorkomende aangeboren hartafwijking, is over de jaren heen ook constant gebleven.
Verschillende factoren van invloed op het voorkomen van aangeboren hartafwijkingen
Ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op het toe- of afnemen van het aantal aangeboren hartafwijkingen:
- Prenatale screeningen, zoals de NIPT (Bij de NIPT (niet-invasieve prenatale test) wordt er bloed afgenomen van de zwangere ) en echografie (SEO), leiden tot vroegtijdige opsporing van (ernstige) aangeboren hartafwijkingen, deels gevolgd door abortus. Een toename van de deelnamegraad aan deze screeningen zou kunnen leiden tot een daling van het aantal kinderen met een aangeboren hartafwijking.
- Door verbeterde behandelingsmethode is de overlevingskans van kinderen met aangeboren hartafwijkingen toegenomen (Bouma & Mulder, 2017 (Bouma, BJ., Mulder, B.J.M., Changing Landscape of Congenital Heart Disease (2017)))
- Door een verdere toename van het gebruik van IVF (In Vitro Fertilisatie. Methode waarbij eicellen door middel van een punctie uit de eierstokken van de vrouw worden gehaald en buiten het lichaam worden bevrucht (reageerbuisbevruchting). Daarna worden de bevruchte eicellen in de baarmoeder geplaatst met als doel een zwangerschap tot stand te brengen.)-technieken kan het aantal kinderen met een aangeboren hartafwijking toenemen (Sargisian et al., 2024 (Sargisian , Petzold, M, Furenäs, Gissler, M., Spangmose, Lauesgaard, Opdahl, Pinborg, Henningsen, Westvik-Johari, Rönö, Bergh , Wennerholm, Congenital heart defects in children born after assisted reproductive technology: a CoNARTaS study (2024)), Gullo et al., 2023 (Gullo, Scaglione, Laganà, Perino, Chiantera , Cucinella, Gitas, Barra, Riemma, Andrisani, Assisted Reproductive Techniques and Risk of Congenital Heart Diseases in Children: a Systematic Review and Meta-analysis (2023))).
- D.C. Broekstra (Eurocat Noord Nederland, UMC (Universitair Medisch Centrum) Groningen)
- V. Hermans, red (RIVM)