Antibioticaresistentie komt in Nederland relatief weinig voor

In Nederland komt antibioticaresistentie (AMR) vergeleken met andere landen relatief weinig voor. Daarbij is het aandeel resistente bacteriën in huisartsenpraktijken en ziekenhuizen in de periode 2020-2024 voor de meeste  (Antibiotica zijn medicijnen die bacteriën doden of remmen in de groei. Er zijn verschillende groepen antibiotica die onderling verschillen in chemische structuur. Daardoor zijn niet alle antibiotica tegen dezelfde bacteriën effectief.) gelijk gebleven. Van bepaalde groepen bacteriën is in 2024 echter wel een groter deel resistent geworden. Dat is vooral bij bacteriën die bijvoorbeeld ernstige urineweginfecties kunnen veroorzaken. Verder is vaker resistentie gezien bij bacteriën die onder andere huidinfecties veroorzaken (Staphylococcus-bacterie) ( NethMap, NethMap One Health 2025 – Consumption of antimicrobial agents and antimicrobial resistance in the Netherlands from a one health perspective (2025) ). In 2024 zijn 50 uitbraken met resistente micro-organismen gemeld bij het Signaleringsoverleg Zorginstellingen en Antimicrobiële Resistentie (SO-ZI/AMR). Dit aantal was in 2024 hoger dan in 2020-2023, maar vergelijkbaar met de periode van vóór de COVID-19 pandemie ( RIVM, Staat van infectieziekten in Nederland, 2024, Bilthoven (2025) ). In het merendeel van de gevallen ging het om de meticilline-resistente Staphylococcus aureus (MRSA) (28 van de 50) gevolgd door de vancomycine-resistente enterokok (VRE) (14 van de 50). 


Trends in bijzonder Resistente Micro-Organismen 

Hieronder gaan we dieper in op twee bijzonder-resistente-micro-organismen (BRMO), namelijk (Methicilline Resistente Staphylococcus aureus (MRSA) staat bekend als de 'ziekenhuisbacterie' omdat hij, vooral in ziekenhuizen, epidemieën veroorzaakt. De bacterie is ongevoelig (resistent) voor behandeling met meticilline en veel andere antibiotica.) en (Carbapenemaseproducerende Enterobacteriaceae. Sommige Enterobacteriaceae-stammen produceren carbapenemase, wat resistentie voor carbapenem-antibiotica zoals imipenem en meropenem tot gevolg heeft. Deze stammen vormen een belangrijke bedreiging voor de klinische patiëntenzorg en openbare gezondheidszorg.) (carbapenemase producerende Enterobacterales). (Bijzonder Resistente Micro-Organismen (BRMO) zijn resistent tegen de eerstekeuze-antibiotica of tegen meerdere groepen antibiotica. Het gevolg is dat artsen bij het voorschrijven of toedienen moeten uitwijken naar 'laatste redmiddelen', waartegen ook in toenemende mate resistentie dreigt te ontstaan. De toename in resistentie tegen laatste redmiddelen betekent dat de keuze voor een antibioticum dat goed werkt, steeds moeilijker wordt.) zijn bacteriën die niet gevoelig zijn voor meerdere soorten (Antibiotica zijn medicijnen die bacteriën doden of remmen in de groei. Er zijn verschillende groepen antibiotica die onderling verschillen in chemische structuur. Daardoor zijn niet alle antibiotica tegen dezelfde bacteriën effectief.), waardoor de behandeling van dergelijke infecties wordt bemoeilijkt. De keuze voor deze twee BRMO’s is gebaseerd op de Staat van infectieziekten in Nederland, 2024 ( RIVM, Staat van infectieziekten in Nederland, 2024, Bilthoven (2025) ).

  • Trend in MRSA: 

Het staat niet vast dat de verspreiding van MRSA in Nederland toeneemt. Maar het hoge aantal MRSA-uitbraken in zorginstellingen en de stijging van het aantal ingestuurde (De resistentie van een bacterie tegen antibiotica wordt bepaald in een isolaat van die bacterie. Een isolaat is een cultuur van bacteriën die zuiver is omdat ze afstammen van één enkele bacterie. Eén bacterie uit bijvoorbeeld urine of een wond kan op een voedingsbodem uitgroeien tot een klein rond vlekje, ofwel een bacteriële kolonie. Van zo’n kolonie wordt vervolgens het isolaat gemaakt.) binnen de (Het RIVM verzamelt monsters en isolaten van Nederlandse medisch-microbiologische laboratoria voor diagnostiek en typering (meestal sequentieanalyse). Het RIVM ontvangt ook typeringsgegevens van referentielaboratoria buiten het RIVM.) wijzen wel in die richting. Een andere aanwijzing voor toegenomen verspreiding is dat er in 2024, net als in 2023, ook enkele MRSA-uitbraken werden gemeld buiten zorginstellingen. Risicogroepen voor MRSA zijn mensen die woonachtig zijn in een asielzoekerscentrum, mensen met werkgerelateerde blootstelling aan vee (in het bijzonder varkens), en mensen met een recente opname in een buitenlands ziekenhuis ( RIVM, Staat van infectieziekten in Nederland, 2024, Bilthoven (2025) ).

  • Trend in CPE: 

CPE worden tot nu toe in Nederland slechts incidenteel gevonden. Het gaat hierbij onder andere om carbapenemase producerende Klebsiella pneumoniae en Escherichia coli. Het aantal meldingen van CPE binnen de (GGD-en verzamelen gegevens meldingsplichtige ziekten en melden dit in Osiris, een database die wordt beheerd door het RIVM.) en de kiemsurveillance is in 2024 echter wel toegenomen. In de (Infectieziekten Surveillance Informatie Systeem - Antibiotica Resistentie. Via ISIS-AR verstrekken een groot aantal Nederlandse medisch-microbiologische laboratoria fenotypische gegevens over antibioticaresistentie vanuit de routine diagnostiek aan het RIVM.) data is ook een toename te zien van het aandeel resistente stammen van K. pneumoniae. Bij E. coli is het aandeel carbapenem-resistente stammen in de afgelopen 5 jaar stabiel gebleven. De meest gerapporteerde risicofactor voor infectie of dragerschap met CPE was een recente opname in een buitenlands ziekenhuis ( RIVM, Staat van infectieziekten in Nederland, 2024, Bilthoven (2025) ).

Meer details en achtergrond bij antibioticaresistentie in Nederland: 


  • M.M. Harbers, red. (RIVM)