In 2020 zijn 735 kinderen dood geboren

In 2020 werden 735 kinderen dood geboren na een zwangerschap van 22 weken of meer (4,4 per 1.000 levend- en doodgeborenen). In de eerste 28 dagen na de geboorte overleden 538 kinderen, ofwel 3,3 per 1.000 levend-  en doodgeborenen ( neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste vier levensweken. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen. (Aantal overledenen in de eerste vier levensweken. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.)) (Perined, 2021).

Perinatale sterfte treft 1.273 kinderen

In 2020 overleden 1.273 (7,7 per 1.000) kinderen vóór, tijdens of in de eerste 28 dagen na de geboorte (de  perinatale sterfte Perinatale sterfte: De som van doodgeboorte en vroegneonatale sterfte (sterfte in de eerste 7 dagen) of neonatale sterfte (sterfte in de eerste 28 dagen). De perinatale sterfte wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen. (Perinatale sterfte: De som van doodgeboorte en vroegneonatale sterfte (sterfte in de eerste 7 dagen) of neonatale sterfte (sterfte in de eerste 28 dagen). De perinatale sterfte wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen. )) na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer. Als alleen de sterfte in de eerste 7 dagen na de geboorte wordt meegeteld bedraagt de perinatale sterfte 7,3 per 1.000 (1.202 kinderen). Deze gegevens zijn afkomstig van Perined en zijn gebaseerd op registraties door gynaecologen, verloskundigen, verloskundig actieve huisartsen en kinderartsen ( Perined 2021 Perined, Perinatale zorg in Nederland anno 2020: duiding door landelijke perinatale audit en registratie, Utrecht (2021) ). Op basis van gekoppelde  CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek) en Perined gegevens bedraagt de perinatale sterfte vanaf 22 weken zwangerschap respectievelijk 7,5 (28 dagen) en 6,9 (7 dagen) per 1.000 in 2016 (voorlopig cijfer) (CBS/Perined via CBS StatLine, 2018).

Tabel: Sterfte rond de geboorte 2020

 

Aantal absoluut

Aantal per duizend

Doodgeboorte

735

4,4

Perinatale sterfte Perinatale sterfte: De som van doodgeboorte en vroegneonatale sterfte (sterfte in de eerste 7 dagen) of neonatale sterfte (sterfte in de eerste 28 dagen). De perinatale sterfte wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen. (Perinatale sterfte: De som van doodgeboorte en vroegneonatale sterfte (sterfte in de eerste 7 dagen) of neonatale sterfte (sterfte in de eerste 28 dagen). De perinatale sterfte wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen.) (7 d)

1.202

7,3

Perinatale sterfte (28 d)

1.273

7,7

Neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste vier levensweken. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen. (Aantal overledenen in de eerste vier levensweken. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.) (28 d)

538

3,3

Bron: Perined, 2021

  • Doodgeboorte: Aantal doodgeborenen na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer (foetale sterfte); per 1.000 levend- en doodgeborenen.
  • Perinatale sterfte (7 d): Aantal doodgeborenen na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer (foetale sterfte) en sterfte in de eerste 7 dagen (vroeg neonatale sterfte); per 1.000 levend- en doodgeborenen.
  • Perinatale sterfte (28 d): Aantal doodgeborenen na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer (foetale sterfte) en sterfte in de eerste 28 dagen (neonatale sterfte); per 1.000 levend- en doodgeborenen.
  • Neonatale sterfte (28 d): Aantal overleden in de eerste 28 dagen na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer; per 1.000 levend- en doodgeborenen.

In 2020 overleden 648 kinderen in hun eerste levensjaar

In 2020 overleden 648 levend geboren kinderen vóór hun eerste verjaardag. In dat jaar werden er in totaal 168.681 kinderen in Nederland levend geboren. Dit bracht de  zuigelingensterfte Aantal overledenen in het eerste levensjaar (som van neonatale en post-neonatale sterfte). Deze wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen. (Aantal overledenen in het eerste levensjaar (som van neonatale en post-neonatale sterfte). Deze wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.) op 3,8 per 1.000 levendgeborenen (ongeacht zwangerschapsduur). De meerderheid van de zuigelingen overleed in de eerste 4 weken na geboorte (CBS Doodsoorzakenstatistiek via CBS StatLine), 2022). Aandoeningen die ontstaan zijn in de perinatale periode, waaronder vroeggeboorte, zijn een belangrijkste doodsoorzaak. Daarnaast zijn aangeboren afwijkingen belangrijke oorzaken van overlijden (25-30%). Oorzaken die na de eerste maand na de geboorte optreden, zoals  wiegendood Plotseling, onverwacht tijdens een slaapperiode overlijden van een kind jonger dan 1 jaar bij wie geen lichamelijke aandoening wordt vastgesteld die het overlijden verklaart. (Plotseling, onverwacht tijdens een slaapperiode overlijden van een kind jonger dan 1 jaar bij wie geen lichamelijke aandoening wordt vastgesteld die het overlijden verklaart.) en uitwendige oorzaken (ongevallen of kindermishandeling), komen veel minder vaak voor. Zo werd in de vijfjaarsperiode 2016-2020 bij 59 kinderen jonger dan één jaar wiegendood geregistreerd als doodsoorzaak (CBS Doodsoorzakenstatistiek via CBS StatLine, 2022).


Trends in perinatale sterfte (≥ 22 weken) 2011-2020

Sla de grafiek Trends in perinatale sterfte (≥ 22 weken) 2011-2020 over en ga naar de datatabel

Bron: Perined, 2021

  • Perinatale sterfte Perinatale sterfte: De som van doodgeboorte en vroegneonatale sterfte (sterfte in de eerste 7 dagen) of neonatale sterfte (sterfte in de eerste 28 dagen). De perinatale sterfte wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen. (Perinatale sterfte: De som van doodgeboorte en vroegneonatale sterfte (sterfte in de eerste 7 dagen) of neonatale sterfte (sterfte in de eerste 28 dagen). De perinatale sterfte wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen.) (vanaf 22 weken zwangerschap, tot 28 dagen) per 1.000 levend- en doodgeborenen.
  • Doodgeboorte (vanaf 22 weken zwangerschap) per 1.000 levend- en doodgeborenen.
  • Neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste vier levensweken. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen. (Aantal overledenen in de eerste vier levensweken. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.) (vanaf 22 weken zwangerschap, tot 28 dagen) per 1.000 levend- en doodgeborenen.

Perinatale sterfte tot 2015 gedaald, daling daarna afgevlakt

Tussen 2011 en 2020 is de  perinatale sterfte Perinatale sterfte: De som van doodgeboorte en vroegneonatale sterfte (sterfte in de eerste 7 dagen) of neonatale sterfte (sterfte in de eerste 28 dagen). De perinatale sterfte wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen. (Perinatale sterfte: De som van doodgeboorte en vroegneonatale sterfte (sterfte in de eerste 7 dagen) of neonatale sterfte (sterfte in de eerste 28 dagen). De perinatale sterfte wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen. ) van kinderen die na een zwangerschapsduur van 22 weken of meer worden geboren en rond de geboorte overlijden (voor, tijdens of in de eerst 28 dagen na de geboorte) gedaald van 8,8 naar 7,7 per 1.000 (Perined, 2021). Gegevens uit het gekoppelde  CBS Centraal Bureau voor de Statistiek (Centraal Bureau voor de Statistiek)/Perined bestand laten een vergelijkbare daling zien in perinatale sterfte (22 weken, eerste 28 dagen) van 8,3 per 1.000 in 2011 naar 7,5 per 1.000 in 2016 (CBS/Perined via CBS StatLine, 2019). Zowel doodgeboorte als de sterfte in de eerste 28 dagen ( neonatale sterfte Aantal overledenen in de eerste vier levensweken. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen. (Aantal overledenen in de eerste vier levensweken. Deze sterftemaat wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.)) daalde. Vanaf 2015 is de daling in perinatale sterfte echter afgevlakt. 

De perinatale sterfte was in de jaren vijftig van de vorige eeuw in Nederland veel hoger dan nu, waarna er een sterke daling volgde tot de jaren tachtig van de vorige eeuw. In de periode 1980-2004 heeft die daling zich in Nederland minder sterk doorgezet dan in veel andere hoge inkomenslanden ( Mohangoo et al. 2008 Mohangoo, A. D., Buitendijk, S. E., Hukkelhoven, C. W. P. M., Ravelli, A. C. J., Rijninks-van Driel, G. C., Tamminga, P., Nijhuis, J. G., Hoge perinatale sterfte in Nederland vergeleken met andere Europese landen: de PERISTAT II studie (2008) Buitendijk et al. 2003 Buitendijk, S. E., Zeitlin, J. A., Cuttini, M., Langhoff-Roos, J., Bottu, J., Indicators of fetal and infant health outcomes (2003) Achterberg & Kramers 2001 Achterberg, P. W., Kramers, P. G. N., Een gezonde start? Sterfte rond de geboorte in Nederland: trends en oorzaken vanuit internationaal perspectief, Bilthoven (2001) ). Na 2010 was de daling in Nederland juist weer wat sterker dan in de andere landen ( Broeders et al. 2019 Broeders, L, Achterberg, PW., Waelput, AJ. M., Ravelli, AC. J., Kwee, A, Groenendaal, F., Offerhaus, P, van der Velden, K, Rosman, AN., Nijhuis, JG., [Decrease in foetal and neonatal mortality in the Netherlands; comparison with other Euro-Peristat countries in 2004, 2010 and 2015]. (2019) Euro-Peristat 2018 Euro-Peristat, European Perinatal Health Report. Core indicators of the health and care of pregnant women and babies in Europe in 2015. (2018) ). Wel werd duidelijk dat een aantal positieve factoren die hebben bijgedragen aan genoemde relatief sterke daling van de perinatale sterfte in Nederland in 2015 hun grootste effect hadden gehad ( Broeders et al. 2019 Broeders, L, Achterberg, PW., Waelput, AJ. M., Ravelli, AC. J., Kwee, A, Groenendaal, F., Offerhaus, P, van der Velden, K, Rosman, AN., Nijhuis, JG., [Decrease in foetal and neonatal mortality in the Netherlands; comparison with other Euro-Peristat countries in 2004, 2010 and 2015]. (2019) ).

Sterfte tot 2015 gedaald door veranderingen in zorg en preventie

Een aantal veranderingen in de zorg hebben mogelijk bijgedragen aan de daling van de sterfte rond de geboorte tussen 2010 en 2015 ( Broeders et al. 2019 Broeders, L, Achterberg, PW., Waelput, AJ. M., Ravelli, AC. J., Kwee, A, Groenendaal, F., Offerhaus, P, van der Velden, K, Rosman, AN., Nijhuis, JG., [Decrease in foetal and neonatal mortality in the Netherlands; comparison with other Euro-Peristat countries in 2004, 2010 and 2015]. (2019) ). Voorbeelden zijn:

Verder is ook het percentage zwangeren dat tijdens de gehele zwangerschap dagelijks heeft gerookt, gedaald van naar schatting 9,9 in 2005 naar 6,3 in 2010. Hoewel dit percentage vervolgens weer is gestegen naar 8,6 in 2015 is het in 2015 nog wel lager dan in 2005 ( Lanting et al. 2015 Lanting, C. I., van Wouwe, J. P., van Dommelen, P., van der Pal-de Bruin, K. M., de Josselin - de Jong, S., Kleinjan, M, Roken tijdens de zwangerschap: percentages over de periode 2001-2015, Leiden (2015) ). Op grond van de bekende verhoogde risico’s voor perinatale sterfte van roken door de moeder is het zeer aannemelijk dat ook hierdoor de sterfte is gedaald. Daarnaast is gewezen op de afname van het aandeel meerlinggeboortes door veranderingen in het ivf-beleid (minder terugplaatsen van twee of meer embryo’s) en de invloed daarvan op de totale perinatale sterfte. Meerlingkinderen hebben namelijk een aantal malen hoger sterfterisico dan eenlingen ( Achterberg et al. 2020 Achterberg, P. W., Harbers, M. M., Post, N. A. M., Visscher, K., Beter weten: een beter begin Samen sneller naar een betere zorg rond de zwangerschap. RIVM Briefrapport 2020-0140, Bilthoven (2020) ).

Stagnatie na 2015 door stijging sterfte bij vroeggeboorte voor 32 weken en toename enkele risicofactoren

De belangrijkste reden voor de recente stagnatie van de daling lijkt de recente stijging van de sterfte bij vroeggeboortes met een zwangerschapsduur tussen 24 en 32 weken. Vroeggeboorte is een belangrijke risicofactor voor sterfte rond de geboorte. De daling van het aandeel te vroeg geboren kinderen ging tot 2015 gepaard met een daling van de sterfte door vroeggeboorte. Dit is mede het gevolg van verbeteringen in de behandeling van veel te vroeg geboren kinderen ( NVK/NVOG 2010 NVK/NVOG, Richtlijn Perinataal beleid bij extreme vroeggeboorte, Utrecht (2010) .; zie Richtlijn Perinataal beleid bij extreme vroeggeboorte). Na 2015 daalde het aandeel te vroeg geboren kinderen verder, maar stijgt de sterfte door vroeggeboorte weer. Dit wijst op een hoger risico dat met vroeggeboorte gepaard gaat ( Achterberg et al. 2020 Achterberg, P. W., Harbers, M. M., Post, N. A. M., Visscher, K., Beter weten: een beter begin Samen sneller naar een betere zorg rond de zwangerschap. RIVM Briefrapport 2020-0140, Bilthoven (2020) ). Ook nemen in Nederland een aantal risicofactoren voor vroeggeboorte en perinatale sterfte toe. Zo is er een continue toename van  obesitas Er is sprake van obesitas of ernstig overgewicht bij een Body Mass Index (BMI) ≥ 30 kg/m2. (Er is sprake van obesitas of ernstig overgewicht bij een Body Mass Index (BMI) ≥ 30 kg/m2.) bij vrouwen in de vruchtbare leeftijd. Ook het aandeel geboortes in de groep vrouwen met een overig niet-westerse herkomst (Azië, Afrika, waaronder asielzoekers en statushouders) neemt toe. Ook deze veranderingen in de populatie zwangere vrouwen kunnen de stagnatie in de daling verklaren ( Achterberg et al. 2020 Achterberg, P. W., Harbers, M. M., Post, N. A. M., Visscher, K., Beter weten: een beter begin Samen sneller naar een betere zorg rond de zwangerschap. RIVM Briefrapport 2020-0140, Bilthoven (2020) ).


Na 2015 daalt sterfte bij kinderen tot 1 jaar oud niet langer

De sterfte van kinderen in het eerste levensjaar daalde tussen 2000 en 2015. Na 2015 lijkt aan deze daling een eind te zijn gekomen. Vooral het aantal kinderen dat stierf aan aangeboren afwijkingen en aan aandoeningen die voortkomen uit de perinatale periode daalde. Tussen 2000 en 2015 daalde ook de perinatale sterfte Perinatale sterfte: De som van doodgeboorte en vroegneonatale sterfte (sterfte in de eerste 7 dagen) of neonatale sterfte (sterfte in de eerste 28 dagen). De perinatale sterfte wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen. (Perinatale sterfte: De som van doodgeboorte en vroegneonatale sterfte (sterfte in de eerste 7 dagen) of neonatale sterfte (sterfte in de eerste 28 dagen). De perinatale sterfte wordt uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen. ) (voor, tijdens of in de eerst 28 dagen na de geboorte). Daarna vlakte ook de daling in perinatale sterfte af. 

Snelle daling wiegendood sinds 1987

Een deel van de daling in  zuigelingensterfte Aantal overledenen in het eerste levensjaar (som van neonatale en post-neonatale sterfte). Deze wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen. (Aantal overledenen in het eerste levensjaar (som van neonatale en post-neonatale sterfte). Deze wordt uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen.) komt voor rekening van een snelle daling van het aantal gevallen van  wiegendood Plotseling, onverwacht tijdens een slaapperiode overlijden van een kind jonger dan 1 jaar bij wie geen lichamelijke aandoening wordt vastgesteld die het overlijden verklaart. (Plotseling, onverwacht tijdens een slaapperiode overlijden van een kind jonger dan 1 jaar bij wie geen lichamelijke aandoening wordt vastgesteld die het overlijden verklaart.) sinds 1987 ( NCJ 2017 NCJ, Daling cijfers wiegendood door adviezen over veilig slapen (2017) ). Na het bekend worden van de relatie van wiegendood met buikligging, krijgen alle ouders het advies om hun baby's op hun rug te leggen. Begin jaren negentig werden meer risicofactoren ontdekt en werd voorlichting ingevoerd over onder meer rookgedrag, afzien van het gebruik van een dekbedje en niet meer in het bed van de ouders slapen (1993) ( de Jonge & Hoogenboezem 2005 de Jonge, G. A., Hoogenboezem, J., Epidemiologie van 25 jaar wiegendood in Nederland; incidentie van wiegendood en prevalentie van risicofactoren in 1980-2004 (2005) ). Dit leidde opnieuw tot minder overlijden door wiegendood ( Munsters et al. 2013 Munsters, J. M., Wierenga, H., Boere-Boonekamp, M. M., Semmekrot, B. A., Engelberts, A. C., Aanvullende adviezen voor veilig slapen ter preventie van wiegendood (2013) Flinsenberg et al. 2008 Flinsenberg, T. W. H., Ruys, J. H., Engelberts, A. C., van Velzen-Mol, H. W., Herziene richtlijn 'Preventie wiegendood' (2008) de Jonge & Hoogenboezem 2005 de Jonge, G. A., Hoogenboezem, J., Epidemiologie van 25 jaar wiegendood in Nederland; incidentie van wiegendood en prevalentie van risicofactoren in 1980-2004 (2005) ).  Begin 2013 zijn nieuwe adviezen toegevoegd over onder meer het gebruik van fopspenen en het vermijden van stabilisatiekussens ( Munsters et al. 2013 Munsters, J. M., Wierenga, H., Boere-Boonekamp, M. M., Semmekrot, B. A., Engelberts, A. C., Aanvullende adviezen voor veilig slapen ter preventie van wiegendood (2013) ).


  • A.J.M. Waelput (Erasmus MC)
  • P.W. Achterberg ( RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu))
  • M. Harbers, red. (RIVM)