Naar geslacht en opleiding

Sla de grafiek 'Beperkingen in horen, zien en mobiliteit naar geslacht en opleiding 2023/2024' over en ga naar de datatabel

Bron: CBS Gezondheidsenquête

  • De labels van de opleidingstypen vermelden de grootste opleidingsgroepen. Zie de toelichting op opleidingstypen voor meer informatie.
  • Beperkingen in (Activiteiten van het dagelijks leven) zijn niet meegenomen in deze grafiek.
  • De ondergrens en bovengrens van het 95% betrouwbaarheidsinterval zijn zichtbaar in tabelweergave.

Mensen met primair onderwijs of een vmbo-opleiding hebben vaker een beperking

De grafiek presenteert cijfers over beperkingen in activiteiten met betrekking tot horen, zien of mobiliteit naar opleiding over 2023 en 2024 samengenomen. De verschillen zijn statistisch (een statistische toets is uitgevoerd om te bepalen of sprake is van een statistisch significant verschil). Resultaten van deze toetsing zijn:

  • Bij zowel mannen als vrouwen is het percentage mensen met een beperking hoger onder mensen met primair onderwijs of een vmbo-opleiding (blauw in grafiek) dan onder hbo- en universitair geschoolden (roze in grafiek). Het hebben van een beperking komt 4 keer vaker voor bij mensen met primair onderwijs of een vmbo-opleiding dan bij mensen met een hbo- of wo-opleiding.
  • Bij zowel mannen als vrouwen is het percentage mensen met een beperking groter onder mensen met primair onderwijs of een vmbo-opleiding dan onder havo-, vwo-, of mbo-opgeleiden (geel in grafiek).
  • Bij zowel mannen als vrouwen is het percentage mensen met een beperking groter onder mensen met een havo- vwo- of mbo-opleiding dan onder mensen met een hbo- of universitaire opleiding.

Bron: CBS Gezondheidsenquête

  • Bovenstaande grafieken gaan over beperkingen horen, zien en mobiliteit. Beperkingen in (Activiteiten van het dagelijks leven) zijn hier niet meegenomen.
  • De labels van de opleidingstypen vermelden de grootste opleidingsgroepen. Zie de toelichting op opleidingstypen voor meer informatie.
  • De ondergrens en bovengrens van het 95% betrouwbaarheidsinterval zijn zichtbaar in tabelweergave.

Bij mannen van alle leeftijden verschillen in beperkingen tussen opleidingstypen

Bovenstaande grafieken presenteren cijfers over beperkingen in activiteiten met betrekking tot horen, zien of mobiliteit naar opleiding over 2023 en 2024 samengenomen. De linker grafiek gaat over mannen en de rechter grafiek over vrouwen. De verschillen zijn statistisch (een statistische toets is uitgevoerd om te bepalen of sprake is van een statistisch significant verschil)

Voor mannen zijn de resultaten van deze toetsing:

  • In alle leeftijdsgroepen is het percentage mannen met een beperking hoger onder mannen met primair onderwijs of een vmbo-opleiding (blauw in grafiek) dan onder hbo- en universitair geschoolde mannen (roze in grafiek). Zo is dit bij mannen van 45 tot en met 64 jaar met primair onderwijs of een vmbo-opleiding 19,6% ten opzichte van 6,0% van de hbo- en universitair geschoolde mannen in die leeftijdsgroep.
  • In alle leeftijdsgroepen is het percentage mannen met een beperking hoger onder mannen met primair onderwijs of een vmbo-opleiding dan onder havo- vwo- of mbo-opgeleide mannen (geel in grafiek).
  • In de leeftijdsgroep van 45 tot en met 64 jaar en in de leeftijdsgroep van 65 jaar en ouder is het percentage mannen met een beperking hoger onder mannen met een havo-, vwo-, of mbo-opleiding dan onder mannen met een hbo-, of wo-opleiding. Voor mannen tussen de 25 en 44 jaar oud is dit verschil niet statistisch significant.

Ook bij vrouwen van alle leeftijden verschillen in beperkingen tussen opleidingstypen

Bovenstaande grafieken presenteren cijfers over beperkingen in activiteiten met betrekking tot horen, zien of mobiliteit naar opleiding over 2023 en 2024 samengenomen. De linker grafiek gaat over mannen en de rechter grafiek over vrouwen. De verschillen zijn statistisch getoetst. 

Voor vrouwen zijn de resultaten van deze toetsing:

  • In alle leeftijdsgroepen is het percentage vrouwen met een beperking hoger onder vrouwen met primair onderwijs of een vmbo-opleiding (blauw in grafiek) dan onder hbo- en universitair geschoolde vrouwen (roze in grafiek). Zo is dit bij vrouwen van 45 tot en met 64 jaar met primair onderwijs of een vmbo-opleiding 30,8% ten opzichte van 8,0% van de hbo- en universitair geschoolde vrouwen in die leeftijdsgroep.
  • In alle leeftijdsgroepen is het percentage vrouwen met een beperking hoger onder vrouwen met primair onderwijs of een vmbo-opleiding dan onder havo- vwo- of mbo-opgeleide vrouwen (geel in grafiek).
  • In alle leeftijdsgroepen is het percentage vrouwen met een beperking hoger onder vrouwen met een havo-, vwo-, of mbo-opleiding dan onder vrouwen met een hbo-, of wo-opleiding. Voor vrouwen van 65 jaar en ouder is dit verschil niet statistisch significant.

Trend beperkingen in horen, zien of mobiliteit naar opleiding

Sla de grafiek 'Trend beperkingen in horen, zien of mobiliteit naar opleiding 1999-2024' over en ga naar de datatabel

Bron: CBS Gezondheidsenquête

  • De labels van de opleidingstypen vermelden de grootste opleidingsgroepen. Zie de toelichting op opleidingstypen voor meer informatie. 
  • Beperkingen in (Activiteiten van het dagelijks leven) zijn niet meegenomen in deze grafiek.
  • De ondergrens en bovengrens van het 95% betrouwbaarheidsinterval zijn zichtbaar in tabelweergave.

Verschil tussen opleidingsgroepen is groter geworden

De grafiek presenteert de trend in beperkingen in horen, zien of mobiliteit van 1999 tot en met 2024 naar opleiding. De verschillen zijn statistisch  (een statistische toets is uitgevoerd om te bepalen of sprake is van een statistisch significant verschil). Resultaten van deze toetsing zijn:

  • Het percentage mensen met een beperking is tussen 1999 en 2024 gestegen in alle opleidingsgroepen. Bij mensen met primair onderwijs of een vmbo-opleiding is dit gestegen met 4,3  (Een procentpunt geeft het absolute verschil aan tussen waarden die in procenten worden uitgedrukt. Een stijging van 1 procentpunt is bijvoorbeeld een stijging van 4 naar 5%.) (blauw in grafiek), bij mensen met een havo-, vwo- of mbo-opleiding met 3,0 procentpunt (geel in grafiek) en bij mensen met een hbo- of universitaire opleiding met 1,9 procentpunt (roze in grafiek).
  • Het percentage mensen met een beperking is tussen 1999 en 2024 sneller gestegen in de groep met de laagste relatieve opleidingspositie dan in de groep met de hoogste relatieve opleidingspositie.
  • In 2024 kwam het hebben van een beperking 3,9 keer vaker voor bij mensen met primair onderwijs of een vmbo-opleiding (blauw in grafiek) dan bij mensen met een hbo- of wo-opleiding (roze in grafiek). Het verschil tussen de groep met de laagste relatieve opleidingspositie en de groep met de hoogste relatieve opleidingspositie is tussen 1999 en 2024 groter geworden.

  • G. de Boer (RIVM)
  • M.J. Buijs (RIVM)
  • E. van der Wilk, red (RIVM)
  • V. Hermans, red (RIVM)