SEH-bezoek voor ernstig letsel gebruikt als indicator voor trend letsels
De trend in het aantal (Spoedeisende hulp)-bezoeken in verband met ernstig letsel wordt gebruikt als indicator voor de trend in het aantal letselgevallen. Het aantal patiënten met licht letsel en het aantal zelfverwijzers is in de loop der jaren afgenomen. Dit heeft te maken met beleid dat gericht is op verbetering van efficiency van de spoedzorg ( Gaakeer, M. I., van den Brand, L., Gips, E., van Lieshout, J. M., Huijsman, R., Veugelers, R., Patka, P., Landelijke ontwikkelingen in de Nederlandse SEH’s; aantal en herkomst van patienten in de periode 2012-2015 (2016) ), zoals sluiting van SEH-afdelingen en intensivering van de samenwerking van SEH-afdelingen met huisartsenposten. Daarnaast spelen de verhoging van de eigen bijdrage in de zorg en veranderingen in behandelrichtlijnen een rol. Het is aannemelijk dat ernstig letsel altijd op de SEH-afdeling behandeld wordt en dat beleid gericht op verbetering van efficiëntie van de spoedzorg geen invloed heeft op het aantal SEH-bezoeken in verband met ernstig letsel. Het verloop in de tijd van het aantal SEH-bezoeken in verband met ernstig letsel is daarom een betere indicator voor de trend in het aantal letselgevallen.
Methoden en technieken
Standaardisatie
De omvang en de leeftijdsverdeling van de bevolking verschillen per regio en land. Daarnaast treden in de loop van de tijd veranderingen op in de omvang en leeftijdsverdeling. Om ziekte- en sterftecijfers van verschillende regio’s en landen, of van opeenvolgende jaren met elkaar te kunnen vergelijken, wordt hier rekening mee gehouden. Daarbij worden de cijfers gecorrigeerd voor deze verschillen of veranderingen in de bevolking. Hierbij wordt uitgegaan van de omvang en de leeftijdsverdeling van een gekozen standaardpopulatie. Dit wordt standaardisatie genoemd. Er zijn grafieken waar zowel gestandaardiseerde cijfers als ongestandaardiseerde cijfers zijn opgenomen. Bij ongestandaardiseerde cijfers wordt geen rekening gehouden met veranderingen in de bevolking. Deze cijfers kunnen dan naar wens aan- en uitgevinkt worden.
Indexatie
Vooral bij de weergave van trends in de tijd zijn de trendcijfers vaak geïndexeerd. Een geïndexeerde trend laat ontwikkelingen in de tijd zien ten opzichte van een gekozen basisjaar. Dit gebeurt door de cijfers van alle jaren weer te geven als percentage van het cijfer in een gekozen basisjaar. Het cijfer in het basisjaar is gelijk gesteld aan 100(%). Indexatie maakt zichtbaar hoe groot de percentuele toe- of afname is ten opzichte van dat basisjaar. Door als basisjaar het eerste jaar in de grafiek te kiezen, kun je snel zien wat de verandering over de hele weergegeven periode is en ook of er grote verschillen zijn voor de onderscheiden groepen (mannen en vrouwen bijvoorbeeld).
Indexatie kan ook gebruikt worden voor het weergeven van regionale verschillen. Hierbij wordt het landelijke cijfer bijvoorbeeld gelijk gesteld aan 100(%). Een regionaal cijfer boven of onder de 100 duidt erop dat het respectievelijk hoger of lager is dan het landelijke cijfer. Voorafgaand aan indexatie worden de cijfers vaak gecorrigeerd voor verschillen in samenstelling van de populaties.
Toetsing trends
Toetsing van de trend heeft plaatsgevonden op ongestandaardiseerde data door middel van een logistische regressie, waarbij is gecorrigeerd voor leeftijd en geslacht. Daarbij wordt (een statistische toets is uitgevoerd om te bepalen of sprake is van een statistisch significant verschil) of er een statistisch significante toe- of afname is met een significantieniveau (p-waarde) van 0,05. Bij het toetsen van de trend worden alle meetjaren meegenomen. Vaak is onderscheid gemaakt naar trends in verschillende subpopulaties: mannen, vrouwen en leeftijdsgroepen. Daarnaast is getoetst of de trend voor mannen en vrouwen statistisch significant verschilt.
De kans op het vinden van een toevallige significante uitkomst neemt toe met het aantal uitgevoerde toetsen. Om hiervoor te corrigeren is een Benjamini‐Hochberg‐correctie op de p‐waardes uitgevoerd.