Kans op non-hodgkinlymfomen verhoogd door beïnvloedbare en niet-beïnvloedbare factoren 

Er zijn diverse factoren die de kans op het ontstaan van non-hodgkinlymfomen verhogen. Hieronder zijn de risicofactoren ingedeeld naar niet-beïnvloedbare factoren, factoren die (deels) beïnvloedbaar zijn en externe risicofactoren ( Armitage et al. 2017 Armitage, J.O., Gascoyne, R.D., Lunning, M.A., Cavalli, F., Non-Hodgkin lymphoma. (2017) ; Thandra et al. 2021 Thandra, K.C., Barsouk, A., Saginala, K., Padala, S.A., Barsouk, A., Rawla, P., Epidemiology of Non-Hodgkin's Lymphoma (2021) ).

Niet-beïnvloedbare factoren

  • Leeftijd: Non-hodgkinlymfomen komen vooral voor bij mensen ouder dan 65 jaar. In Nederland werd 63% van de diagnoses in 2021 gesteld bij mensen van 65 jaar en ouder (bron: NKR, 2022). Bepaalde lymfomen zijn echter geassocieerd met specifieke leeftijdsklassen. Er zijn bijvoorbeeld zeldzame lymfomen die vooral op kinderleeftijd worden vastgesteld, zoals B-lymfoblastiar lymfoom/leukemie (B-LBL), burkitt lymfoom (BL), grootcellig anaplastisch T-cel lymfoom, ALK+ (ALCL-ALK+) en pediatrisch  folliculair lymfoom (PFL).
  • Familiegeschiedenis: Eerstegraads familieleden van mensen met non-hodgkinlymfomen hebben een ongeveer tweemaal verhoogde kans op het ontwikkelen van deze aandoening ( Cerhan & Slager 2015 Cerhan, J.R., Slager, S.L., Familial predisposition and genetic risk factors for lymphoma. (2015) ). Voor sommige typen NHL Non-Hodgkin lymfomen (Non-Hodgkin lymfomen) is het familiaire risico groter, terwijl dit bij andere typen geen rol speelt.
  • Genetische factoren: Er zijn aanwijzingen dat veel voorkomende gen-varianten die een rol spelen in de afweer, bijdragen aan het risico op non-hodgkinlymfomen (en hodgkinlymfoom). Deze bijdrage aan het lymfoomrisico is echter niet heel groot.
  • Etniciteit: Er zijn grote wereldwijde verschillen in het vóórkomen van non-hodgkinlymfomen. Bepaalde typen lymfomen komen bijvoorbeeld in Azië veel voor, terwijl deze uiterst zeldzaam zijn in West-Europa. Het omgekeerde geldt ook. Deze verschillen worden ook deels gereflecteerd in verschillen in vóórkomen van bepaalde lymfomen tussen etnische groepen in Nederland. Dit geldt echter bijna uitsluitend voor virus-gerelateerde lymfomen, waarbij het virus uit de regio “meegenomen” wordt. Een voorbeeld hiervan is het Humaan T-lymfotroopvirus 1 / Humaan T-celleukemievirus type 1 (HTLV-1).

(Deels) beïnvloedbare factoren

  • Chronische infecties: Bepaalde lymfomen zijn geassocieerd met virale infecties (Epstein-Barr virus, hiv Human immunodeficiency virus (Humane Immunodeficiëntievirus) (Human immunodeficiency virus (Humane Immunodeficiëntievirus)), HHV8, HTLV1, hepatitis C) of bacteriële infecties (Helicobacter pylori, Campylobacter jejuni, Borrelia burgdorferi en Chlamydia psittaci). Virussen kunnen door productie van groeistimulerende eiwitten zorgen voor ongeremdere groei van lymfocyten maar ook direct zorgen voor veranderingen in het DNA Desoxyribo nucleic acid (Desoxyribonucleïnezuur). De drager van erfelijke informatie in alle bekende organismen. (Desoxyribo nucleic acid (Desoxyribonucleïnezuur). De drager van erfelijke informatie in alle bekende organismen.). Bacteriën zetten vaak groeistimulatie in gang door kruisreactie met lichaamseigen eiwitten, waardoor auto-immuun fenomenen ontstaan.
  • Immuundeficiëntie: Zowel aangeboren als verworven immuundeficiëntie verhoogt de kans op de ontwikkeling van non-hodgkinlymfomen. Verworven immuundeficiëntie kan het gevolg zijn van het gebruik van medicijnen die de afweer onderdrukken (bijvoorbeeld bij een orgaantransplantatie, behandeling van een auto-immuunziekte of bij de behandeling van kanker). Verworven immuundeficiëntie kan ook het gevolg zijn van een hiv-infectie en van veronderstelde veroudering van het afweersysteem.
  • Auto-immuunziekten: Auto-immuunziekten (bijvoorbeeld ziekte van Sjögren, reumatoïde artritis, systemische lupus erythematodes, chronische darmontstekingen colitis ulcerosa en de ziekte van Crohn) kunnen op verschillende manieren direct en indirect (door afweeronderdrukkende behandeling, zie boven) leiden tot het ontstaan van non-hodgkinlymfomen.
  • Roken en overgewicht Er is sprake van overgewicht bij een Body Mass Index (BMI) ≥ 25 kg/m2 (Er is sprake van overgewicht bij een Body Mass Index (BMI) ≥ 25 kg/m2): Roken en overgewicht hebben geen aantoonbare relatie met de meeste subtypen van non-hodgkinlymfomen. Roken verhoogt mogelijk wel het risico van CNS (centraal zenuwstelsellymfoom) en van testiculair en cutaan DLBCL (diffuus grootcellig B-cellymfoom) en heeft een negatieve invloed op de overleving van non-hodgkinlymfomen. Overgewicht ( BMI Body Mass Index. De BMI is een index die de verhouding tussen lengte en gewicht bij een persoon weergeeft. De BMI wordt veel gebruikt om een indicatie te krijgen of er sprake is van overgewicht of ondergewicht. (Body Mass Index. De BMI is een index die de verhouding tussen lengte en gewicht bij een persoon weergeeft. De BMI wordt veel gebruikt om een indicatie te krijgen of er sprake is van overgewicht of ondergewicht.) > 25) verhoogt mogelijk het risico op PTCL (perifeer T-cellymfoom) en DLBCL. Ernstig overgewicht Men spreekt van ernstig overgewicht of obesitas bij een Body Mass Index (BMI) ≥ 30 kg/m2. (Men spreekt van ernstig overgewicht of obesitas bij een Body Mass Index (BMI) ≥ 30 kg/m2.) ( BMI > 30) heeft een negatieve invloed op de overleving van non-hodgkinlymfomen.

Externe risicofactoren

  • Blootstelling aan bestrijdingsmiddelen: Blootstelling aan bepaalde bestrijdingsmiddelen gebruikt in land- en tuinbouw (pesticiden, insecticiden en organische oplosmiddelen) kan leiden tot een verhoogd risico voor het ontwikkelen van non-hodgkinlymfomen ( Leon et al. 2019 Leon, M.E., Schinasi , L.H., Lebailly, P., Beane Freeman, L.E., Nordby, K.C., Ferro, G., Monnereau, A., Brouwer, M., Tual, S., Baldi, I., Kjaerheim, K., Hofmann, J.N., Kristensen, P., Koutros, S., Straif, K., Kromhout, H., Schüz, J., Pesticide use and risk of non-Hodgkin lymphoid malignancies in agricultural cohorts from France, Norway and the USA: a pooled analysis from the AGRICOH consortium. (2019) ; De Roos et al. 2021 De Roos, A.J., Schinasi , L.H., Miligi, L., Cerhan, J.R., Bhatti, P., 't Mannetje, A., Baris, D., Benavente, Y., Benke, G., Clavel, J., Casabonne, D., Fritschi, L., Hofmann, J.N., Huynh, T., Monnereau, A., Piro, S,, Slager, S.L., Vajdic, C.M., Wang, S.S., Zhang, Y., Bernstein, L., Cocco, P., Occupational insecticide exposure and risk of non-Hodgkin lymphoma: A pooled case-control study from the InterLymph Consortium. (2021) ).
  • Radiotherapie/bestraling: Radiotherapie/bestraling bij de behandeling van andere vormen van kanker kan leiden tot een enigszins verhoogd risico voor het ontwikkelen van non-hodgkinlymfomen.
  • Borstimplantaten: In zeldzame gevallen is hebben van een borstimplantaat geassocieerd met het krijgen van grootcellig anaplastisch T-cel lymfoom (ALCL) Vrouwen met een borstimplantaat hebben weliswaar een relatief verhoogd risico op het krijgen van ALCL, maar omdat de ziekte zo zeldzaam is, is de absolute kans op het krijgen van ALCL voor hen nog steeds heel klein.

Non-hodgkinlymfomen en behandeling daarvan kunnen leiden tot fysieke en mentale klachten

Non-hodgkinlymfomen en de behandeling daarvan met chemotherapie en/of bestraling kunnen op langere termijn zowel fysieke als mentale klachten tot gevolg hebben voor de patiënt.

Fysieke gevolgen kunnen zijn (bron: www.kanker.nl):

  • Onvruchtbaarheid
  • Hart- en vaatziekten
  • Een tweede soort kanker
  • Vervroegde overgang
  • Vermoeidheid
  • Pijn

Veel voorkomende mentale problemen die optreden na de diagnose en behandeling van non-hodgkinlymfomen zijn: angst, depressie en cognitieve problemen ( Mojs et al. 2017 Mojs, E., Warchoł-Biedermann, K., Samborski, W., What Do We Know About Psychological Outcomes of Lymphoma in Adults? (2017) ).


  • D. de Jong ( VUmc VU Medisch Centrum Amsterdam (VU Medisch Centrum Amsterdam))
  • A.M. Gommer ( RIVM Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu))