Kwaliteit
Er bestaan verschillende omschrijvingen van het begrip kwaliteit van zorg. Het Institute of Medicine (IOM) omschreef het als “doing the right thing, at the right time, in the right way, for the right person, and having the best possible results” (IOM, 2001 (IOM, Crossing the Quality Chasm: A New Health System for the 21st Century, Washington (DC) (2001))). Deze omschrijving verwijst naar de begrippen: effectiviteit, veiligheid, tijdigheid en vraaggerichtheid. De Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) beschrijft “zorg van goede kwaliteit en van goed niveau” als volgt:
- Zorg die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is, tijdig wordt verleend, en is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt;
- Waarbij zorgaanbieders en zorgverleners handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard en de kwaliteitsstandaarden; en
- Waarbij de rechten van de cliënt zorgvuldig in acht worden genomen en de cliënt ook overigens met respect wordt behandeld.
In het raamwerk dat hier gebruikt wordt, wordt kwaliteit vooral uitgewerkt via de begrippen effectiviteit en veiligheid. Tijdigheid wordt beschreven onder Toegankelijkheid, en vraaggerichtheid onder Zorgbehoeften, voorkeuren en gezondheidsvaardigheden. Effectiviteit wordt gedefinieerd als de mate waarin gewenste uitkomsten worden bereikt, na het correct uitvoeren van evidence-based zorg bij degenen die hier baat bij zouden hebben, maar niet bij degenen die hier geen baat bij zouden hebben. Patiëntveiligheid wordt gedefinieerd als het reduceren van het risico op onnodige schade tot een aanvaardbaar minimum, waarbij het aanvaardbaar minimum verwijst naar de huidige kennis over patiëntveiligheid, de middelen die beschikbaar zijn en de context waarin de zorg wordt verleend, afgewogen tegen niet behandelen of het toepassen van een alternatieve behandeling.
Toelichting bij de tabel
* De internationale vergelijking laat zien hoe Nederland presteert ten opzichte van andere hoge-inkomenslanden. Aan de hand van kwartielen geven de gekleurde vlakjes weer in welke scorecategorie Nederland valt. De scores lopen van 1 tot en met 4, waarbij van links naar rechts geldt:
1 = zeer ongunstig, 2 = ongunstig, 3 = gunstig en 4 = zeer gunstig.
** Deze indicatoren hebben geen individuele achtergrondpagina. Voor deze indicatoren verwijzen we naar het betreffende onderwerp binnen VZinfo of een kerncijferpagina in De Staat VenZ, waar meer informatie en toelichting te vinden is over de cijfers.
| Indicator | Indicatorwaarde NL | Internationale vergelijking* | Ontwikkeling | ||
|---|---|---|---|---|---|
| Publieke gezondheid | Bacteriële meningitis waartegen gevaccineerd wordt | 18 nieuwe gevallen | Niet beschikbaar |
Gunstig | |
| Screeningsdeelname** | Percentage | ||||
| Zwangere vrouwen die deelnemen aan PSIE (PSIE (Prenatale Screening Infectieziekten en Erytrocytenimmunisatie) is een landelijk bevolkingsonderzoek waarbij een zwangere vrouw in het eerste verloskundig consult bloedonderzoek aangeboden krijgt (bij voorkeur vóór week 13 van de zwangerschap). Het bloed wordt gescreend op hepatitis B (hepB), syfilis (lues), hiv en de volgende bloedgroepantistoffen: Rhesus (D)-antigeen (RhD), Rhesus (c)-antigeen (Rhc) en irregulaire erytrocyten antistoffen (IEA).) | 100 | Niet beschikbaar |
Stabiel | ||
| Zwangere vrouwen die deelnemen aan NIPT (Bij de NIPT (niet-invasieve prenatale test) wordt er bloed afgenomen van de zwangere) | 67,8 | Niet beschikbaar |
Stijgend | ||
| Zwangere vrouwen die deelnemen aan de 20 wekenecho | 86,6 | Niet beschikbaar |
Stabiel | ||
| Pasgeboren baby’s die deelnemen aan de eerste gehoorscreeningsronde | 99,3 | Niet beschikbaar |
Stabiel | ||
| Pasgeboren baby’s die deelnemen aan de hielprikscreening | 98,8 | Niet beschikbaar |
Dalend; ongustig | ||
| Deelname aan het bevolkingsonderzoek door de doelgroep | Percentage | ||||
| Baarmoederhalskanker | 54,4 |
Ongunstig |
Stijgend; gunstig | ||
| Borstkanker | 65,3 |
Gunstig |
Dalend; ongunstig | ||
| Darmkanker | 67,1 |
Zeer gunstig |
Stabiel | ||
| Geboortezorg | Vrouwen die direct na de geboorte uitsluitend borstvoeding geven | 53% |
Ongunstig |
Dalend; ongunstig | |
| Vrouwen die op enig moment in de zwangerschap gerookt hebben | 6,3% | Niet beschikbaar |
Stabiel | ||
| Pasgeborenen met een zeldzame ernstige aandoening waarop gescreend wordt met de neonatale hielprikscreening (NHS), die daadwerkelijk opgespoord zijn met de NHS | 98,7% | Niet beschikbaar |
Stabiel | ||
| Foetale sterfte per 1.000 levend- en doodgeborenen | 3,2 |
Gunstig |
Stijgend; ongunstig | |
| Neonatale sterfte (Aantal overledenen in de eerste vier levensweken. Als afzonderlijke maat, wordt deze sterftemaat uitgedrukt per 1.000 levendgeborenen. Wanneer neonatale sterfte als onderdeel van perinatale sterfte wordt weergegeven, wordt deze uitgedrukt per 1.000 levend- en doodgeborenen.) per 1.000 levendgeborenen | 1,7 |
Zeer ongunstig |
Dalend; gunstig | ||
| Eerstelijnszorg en poliklinische zorg | Vermijdbare ziekenhuisopnamen | Per 10.000 personen | |||
| Hoofddiagnose astma | 2,5 |
Gunstig |
Stijgend; ongunstig | ||
| Hoofdiagnose COPD (Chronic obstructive pulmonary disease (Chronische obstructieve longziekten)) | 14,4 |
Gunstig |
Stijgend; ongunstig | ||
| Hoofddiagnose hartfalen (Hartfalen (decompensatio cordis) is het best te omschrijven als een klinisch syndroom dat bestaat uit een combinatie van klachten en verschijnselen die direct of indirect het gevolg zijn van een tekortschietende pompfunctie van het hart.) | 15,2 |
Gunstig |
Stabiel | ||
| Hoofdiagnose diabetes | 4,2 |
Zeer gunstig |
Dalend; gunstig | ||
Per 100.000 personen | |||||
| Kleine amputaties bij diabetes | 14,0 |
Ongunstig |
Stijgend; ongunstig | ||
| Grote amputaties bij diabetes | 5,9 |
Gunstig |
Stijgend; ongunstig | ||
| Indicator | Indicatorwaarde NL | Internationale vergelijking* | Ontwikkeling | ||
|---|---|---|---|---|---|
| Acute zorg | 30-dagen sterfte na ziekenhuisopnamen | Percentage | |||
| Acuut myocardinfarct | 5,0 |
Zeer gunstig |
Stabiel | ||
| Herseninfarct (Beroerte ten gevolge van een afsluiting van een slagader die een deel van de hersenen van bloed voorziet.) | 9,3 |
Gunstig |
Stabiel | ||
| Hersenbloeding (Beroerte ten gevolge van een gescheurd bloedvat in of rond de hersenen.) | 31,9 |
Ongunstig |
Stabiel | ||
| Medisch specialistische zorg | Puntprevalentie van zorginfecties in ziekenhuizen | 6,8% | Niet beschikbaar |
Stabiel | |
| In het ziekenhuis overleden patiënten bij wie potentieel vermijdbare schade tijdens het verblijf bijdroeg aan het overlijden | 3,1% | Niet beschikbaar |
Stabiel | ||
| Operaties aan heupfracturen die uiterlijk de volgende kalenderdag zijn geopereerd | 82,1% |
Zeer gunstig |
Dalend; ongunstig | ||
| Postoperatieve complicaties | per 100.000 personen | ||||
| Postoperatieve longembolie na heup- of knievervanging | 211 |
Zeer gunstig |
Dalend; gunstig | ||
| Postoperatieve diep veneuze trombose na heup- of knievervanging | 66,5 |
Zeer gunstig |
Dalend; gunstig | ||
| Postoperatieve sepsis (Sepsis is een klinisch syndroom dat gekenmerkt wordt door een algemene ontstekingsreactie van het hele lichaam op een infectie. Het is een zeer ernstige aandoening met een aanzienlijke kans dat de patiënt in korte tijd overlijdt. Vaak wordt het omschreven als bloedvergiftiging.) na operaties in de buik of in het bekken | 923 |
Gunstig |
Stabiel | ||
| GGZ | Suïcides onder personen die in behandeling zijn bij een GGZ-instelling | 721 personen | Niet beschikbaar |
Stabiel | |
| Indicator | Indicatorwaarde NL | Internationale vergelijking* | Ontwikkeling | ||
|---|---|---|---|---|---|
| Medicijngebruik | Antibioticagebruik | Antibioticagebruik in de eerstelijnszorg | 9,0 DDD (Defined Daily Dose. Standaarddagdosering.)/1.000 personen |
Zeer gunstig |
Stijgend; ongunstig |
| Tweede-keuze antibiotica (Antibiotica zijn medicijnen die bacteriën doden of remmen in de groei. Er zijn verschillende groepen antibiotica die onderling verschillen in chemische structuur. Daardoor zijn niet alle antibiotica tegen dezelfde bacteriën effectief.) als percentage van het totale gebruik in de eerstelijnszorg | 7,9% |
Zeer gunstig |
Dalend; gunstig | ||
| Veilig voorschrijven van medicatie | Ouderen (65+ jaar) die langdurig benzodiazepinen gebruiken | 14,3 per 1.000 personen |
Ongunstig |
Dalend; gunstig | |
| Ouderen (65+ jaar) die langwerkende benzodiazepinen gebruiken | 18,8 per 1.000 personen |
Gunstig |
Dalend; gunstig | ||
| Ouderen (75+ jaar) die 5 of meer geneesmiddelen gebruiken (polyfarmacie) | 45,3% van personen met >1 geneesmiddel |
Zeer gunstig |
Dalend; gunstig | ||
| Opioïdengebruik (alle leeftijden) | 11,2 DDD per 1.000 personen |
Gunstig |
Dalend; gunstig | ||
| Ouderen (65+ jaar) die antipsychotica gebruiken | 32,6% |
Zeer gunstig |
Dalend; gunstig | ||
| Passend voorschrijven bij diabetes | Percentage | ||||
| Diabetespatiënten met cholesterolverlagende medicatie | 73,2 |
Gunstig |
Dalend; gunstig | ||
| Diabetespatiënten met eerstekeus antihypertensiva medicatie | 79,6 |
Gunstig |
Stabiel | ||
| Overleving bij kanker | 5-jaarsoverleving kanker | Percentage | |||
| Baarmoederhalskanker | 68,7 |
Zeer gunstig |
Stabiel | ||
| Borstkanker | 88,5 |
Gunstig |
Stabiel | ||
| Colonkanker | 69,4 |
Ongunstig |
Stijgend; gunstig | ||
| Endeldarmkanker | 69,7 |
Gunstig |
Stijgend; gunstig | ||
| Indicator | Indicatorwaarde NL | Internationale vergelijking* | Ontwikkeling | ||
|---|---|---|---|---|---|
| Integrale zorg | Gebruik juiste medicatie door patiënten met een herseninfarct, tussen 12 en 18 maanden na ontslag uit het ziekenhuis | Percentage | |||
| Antihypertensiva | 68 |
Zeer ongunstig |
Stabiel | ||
| Antistollingsmiddelen | 89 |
Gunstig |
Stabiel | ||
| Personen die problemen hebben ervaren met afstemming tussen de eerste en de tweede lijn | 24% |
Zeer gunstig |
Dalend; gunstig | ||
| Ongewenste gezondheidsuitkomst binnen één jaar na ontslag uit het ziekenhuis | Percentage | ||||
| Herseninfarct | 30,8 |
Zeer gunstig |
Stabiel | ||
| Hartfalen | 51,4 |
Gunstig |
Stabiel | ||
| Langdurige zorg | Patiënten met nosocomiale decubitus van graad 2 of hoger in instellingen voor langdurige zorg | 4,5% | Niet beschikbaar |
Stijgend: ongunstig | |
Levenseinde
| Toepassen van medicatie (niet) volgens de richtlijnen | Percentage | |||
| Euthanasie met spierverslappers | 79,0 | Niet beschikbaar |
Stabiel | ||
| Continue palliatieve sedatie met alleen morfine | 4,0 | Niet beschikbaar |
Stabiel | ||
| Niet op de plaats van voorkeur overlijden: in ziekenhuis | Naar groep van doodsoorzaken | Percentage | |||
| Alle doodsoorzaken | 21,2 |
Zeer gunstig |
Dalend; gunstig | ||
| Kanker | 15,2 |
Zeer gunstig |
Stabiel | ||
| Hart- en vaatziekten | 25,4 |
Zeer gunstig |
Stabiel | ||
| Chronische respiratoire aandoeningen | 31,0 |
Zeer gunstig |
Stabiel | ||
| Dementie | 1,3 |
Zeer gunstig |
Dalend; gunstig | ||
| Meerdere acute ziekenhuisopnamen kort voor overlijden | 30 dagen voor overlijden; alle doodsoorzaken | 3,0 |
Zeer gunstig |
Dalend; gunstig | |
| 180 dagen voor overlijden; alle doodsoorzaken | 13,7 |
Zeer gunstig |
Stabiel | ||